Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r 59 )

den mond legt, die, vergeefsch, naar geluk gezogt had : och dat alles, wat ik, tot dus verre, deed , ongefchied ware ! —> met Delen m} ner vyanden , heb ik my verzoend : maar met my zeiven, heb ik my, nog niet, regt, kunnen bevrienden.

Al ware het zelfs, dat gy, by de fcherpfte zelfsbeproeving , niets onzuivers , in ene daad , kondet vinden ; zoudt gy dan nog, wel, met volkomen gerustheid , befluiten durven, dat uwe daad, waarlyk , zuiver, en dat niet ene geheime aandrift der zinlyke eigenliefde , in uwe ziel geflopen , en zig agter het idé van pligt verbergende , de eigenlyke oorzaak der bepaling van uwen wil zy (*) ? Ik beroep my op u , welker dagelykfche hoofdwerk de Jtudie der zelfskenrtis uitmaakt. Gy weet, hoe moeilyk ene fcherpe, en geheel onpartydige, beproeving van zyn eigen hart , voor den mensch , zy ; wyl de zinlyke eigenliefde , die hem bezielt, fchier niet ophoudt te vleijen nu eens het goede, welk in hem mogt wonen, door een vergrootglas f dan , wederom , het kwade , door een verkleinglas, doet befchouwen ^ en, behendiglyk, allerhande

ge-

(*) E. A R X. Crundleg. S. %G.

Sluiten