Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 63 )

de enige God (dien gy, namelyk , niet zien kunt) (*): dit andwoord gaf hy eens , aan zekeren jongling , die hem, met den naam van goeden Meester, had aangefproken. Van waar nu dit begrip van God, ais het haogfte ideaal van. zedelyk goed ? waar uit, bid ik u, anders , dan uit het idé , door de rede zelve, van voren , ontworpen ? Naarvolging vindt dus , eigenlyk gefproken , in het zedelyke , gene plaats. Voorbeelden dienen flegts ter aanmoediging, door de uitvoerbaarheid van het geen de wet gebiedt, boven allen twyfel, te verheffen, en het geen de practifche regel, algemener, uitdrukt , in het byzondere , aanfchouwefyk te maken —- in zo verre men , namelyk , geloven kan , reden te hebben , om zuiverheid van grondbeginzel, waar op hier alles aankomt , in het gegeven voorbeeld , te onderftellen. Dit laatfte , nogtans , kan de ervaring, ons niet, tot volle zekerheid, Ieren: want zy toont ons flegts ver-, fchynzelen , of daden, welker wezenlyke waarde , niet, van het geen wy zien , maar, van het geen wy niet zien , eniglyk , afhangt. Voorbeelden mogen ons , daarom, nimmer gegeven worden,

ter

C*) Matth. XIX. 17.

Sluiten