Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 65 )

ligt vóór alle ervaring , en onafhanglyk van dezelve , in het idé der rede , die den wil , van voren , bepaalt.

In de twede plaats , merkte ik aan, dat men , uit de , doorgaands plaats hebbende , onzuiverheid Van den menschlyken wil, tot de onzuiverheid van den oorlpronglyken aanleg onzer natuur, geenzins, een befluit kunne trekken. Anderzins, ja , zoude de geopperde twyfel, voor de zedeleer, met alle regt , gevaarlyk fchynen ; dewyl dan de practifche rede , die aan alles , wat redelyk is , en , dus , ook aan den mensch , om, dat hy mensch is, zo hoge eifchen doet, het voorkomen van een geheel onverklaarbaar, ja bedriegelyk , vermogen zoude hebben : dat is , met andere woorden, wyl de rede zelve , dan, onredelyk zyn zoude. Doch dit befluit, zeg ik, gaat niet door. Uit het geen gy den mensch ziet doen, kunt gy niet opmaken , wat hy kunne, en hoe verre zyne krachten reiken , zo 'er gene beletzelen plaats hadden; of, wat hy nog, eenmaal, zal kunnen doen, by verandering van omftandigheden, en wegruiming van beletzelen. De ervaring zelve leert, hoe menig een, met opzigt op talenten van den geest, door de Natuur , veel hoger is aangelegd, dan hy , werklyk, komt. Waarom E min-

Sluiten