Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

palen der wezenlyke waarde, te rug gedreven, en de andere, door de rede , geheel nedergeflagen; wyl niemand op enige waarde kan aan» fpraak maken, dan in zo verre hy ene gezindheid bezit, welke met de wet der rede overeenkomt. Daar nu de mensch zig zeiven ten wetgever is; volgt van zeiven, dat de zuivere praclifche rede hem den edelen trots niet verbiedt, maar hem, in tegendeel, de zelfsfchatting, als

pligt

de ware aard der zuiver-tedelyke eigenliefde , die eerbied voor onze redelyke natuur, voor onze perfoonlykheid, influit, en zig niet bepaalt , tot ons eigen ik , maar alle redelyke wezens omvat , om dat zy redelyk, in dus gene blote middelen , maar eindoogmerken , zyn. Deze redelyke eigenliefde is hetzelfde, met die zuivere goedwilligheid , welke wy befchreven hebben, en maakt tien grond uit van een zedelyk gedrag. In dit opzigt , zoude men kunnen zeggen , dat 'er , by den mensch , geen hoger beginzel plaats heeft , dan eigenliefde. « Den mensch alle eigenliefde te ontnemen , en te leren ; «lat hy zig, zo verre, moet verlogenen , dat hy cnverfchillig zy , omtrend zyne gelukzaligheid , is het werk, niet van kant , maar van dwepers, die tot deze paradoxe leer gebragt worden , nier , door het ifoleren , maar door het geifoleerd laten . liggen , der praclifche rede.

Sluiten