Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 9' ) . jéchting moet, derhalve , altyd , enen zedelyhen grond hebben. Zy is , eigenlyk. , ene fchatting, die wy betalen aan de zedelyke wet : welke wet, ons , door achtingwaardige voorbeelden , aanfchouwelyk gemaakt , en binnen ons bereik geheld, wordt. Men kan , daaróm , voor een mensch, vrees , ontzag , ook lief ie , en , nogtans , gene achting , koesteren. Zynen moed, zyne fchranderheid , zyne geleerdheid, kan ik bewonderen : zynen rang , zyne magt, kan ik vrezen; zonder dat ik enig gevoel van achting, voor hem, in mvn hart, gewaar worde. Myn ligchaam moge ik, voor enen Koning, of Staatsregent , buigen : maar myne ziel buigt zig , voor hem , nooit, ten zy hy, waarlyk, mensch zy. Gehoorzaamheid moge ik , aan zynen wil, betonen : maar achting ben ik niet fchuldig, dan aan zyne deugd. Het zyn de knieën van myn ligchaam , die zig buigen : maar niet myne rede (*). Voor enen man, in tegendeel , van lagen hand , in wien ik meerdere regtfchapenheid , dan in my zeiven , meen te ontdekken , buigt zig myne gantfche ziel; of ik wil , of niet. Zy

buigt

(*) Mo nt ag ne. Esf. I. 3- III. 8. \

Sluiten