Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 93 )

grootfte , de fchitterendfte , daad ons gene achting inblazen. Wy mogen onze goedkeuring van het Jtojlyke , en , daar door, bewerkte nut, aan den dag leggen ; onze ziel, nogtans , blyit ledig van dat verheven gevoel , welk wy achting noemen. Straalt de onzuiverheid, fterk , door; terftond, ontftaat 'er, in ons gemoed, ver* ëchting. — Dit gevoel is allen menfchen ge-/meen , de flegtften zelfs niet uitgenomen. Een ieder, wie hy zy , (zo algemeen, en zo groot, is de kracht der practifche rede!) — een ieder betaalt dezen tol aan de deugd. Van hier, dat de grootfte booswigten elkander, in hun hart, verachten, en de deugd, waar zy die vinden, vereren. Konden zy aan hunne zinlyke neigingen , al ware het dan, zelfs, met enige opoffering .voldoen ; zonder de heilige wet hunner rede , ruwelyk, te fchenden : gewis, zouden zy hunne

achting , voor die wet, tonen , en hunne eigen Ê

waarde , als menfchen , eerbiedigen.

Kunt gy nu geloven , myn Lezer ! dat zulk een wezen , in welk gy een vermogen vindt, om het goede te kennen, en ene ftemming tot hoogachting , voor zuivere goedwilligheid , en tot Verachting van al , wat met de zuivere wet der grootachtbare rede , ftrydt -— een wezen , dat

zyn

Sluiten