Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C XIII )

noch itmant der hoogdnirfche dichteren kende. Anacreon kende ik bij naam, en ik wist dat hij van de lief de gezongen had; doch van zijne liederen was mij niets voor de oogen gekomen, dan een enkeld verrijmd ftukje. <

Nu hom ik tot dien tijd, mijn vriend, die, zoo wel voor 'mijn geest, als voor mijn hart, bet gewigtigjie en dierbaar-fle is: door een gunstige befcbikking des hemels, bij u, bij mijne andere vrienden, overgebragt, heb ik, in onze vriendfchappclijke verkeering, gelegenheid gehad, om mijnen fmaak verder te verbeteren > mijne vermogens te ontwikkelen, en mijne weinige Theoretifche kundigheden te vermeerderen. Hoe veele aangenaame avonden hebbenwij, onder bet beoefenen der beminnelijkfte kunst, faamen dowgebragt! Dan nog, wanneer wij ver van elkander verwijderd zullen zijn, zal ik, mijne eenzaame, treurige, avonden, vervrolijken, door de herinnering, van onze genotene vreugde! Umis/en wij reeds; en uw ledige plaats,

Sluiten