Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 39 )

Toen floegt gij, fiddreud, als een duive, Uw bevende armen om mijn' hals,

Uw hoofd zonk, magtloos, op mijn' boezem, Als zogt ge een fcbuüplaats in mijn hart!

Ik wreef de trainen uit mijne oogen, En zag nu ginds dan derwaard heên,

Toen een vetbijrterende biikfem, Uit de opgcpreste wolken, brak!

„ Mijn God! is dan, voor twee gelieven, Geen fchuüplaats in uw waereld meer?

Ziet gij de fchuldelooze traanen, De droefheid van mijn Filiis niet?"

o Filiis! kunt gij nog gevoelen, De büjdfchap van dat oogenbük,

Toen ons, bij 't klaat'ren van den donder, De Liefde, in hare (chuilpiaats, bragt? C 4

Sluiten