Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C *9 >

zelfde waarnemingen zyn by andere gewafïèn herhaald. Het bederf, gaat in alle planten, zo weinig als andere groiende lighamen, niet even fchielyk voort. Dus er tuffchen bomen en planten 9 waar van de bladeren aanftonds verwelkert zyn en die by welke deze fchadelyke verandering niet» dan na enige tyd gebeurde, geen anderonderfcheid is, dan alleen dat de zwaveldamp, die als een: vergif voor deze groeiende wezens kan befchouwt worden, by de ene fchielyker als by de andere gewerkt heeft. De damp is uit de lugt opgeflorpt* en heeft dus het inwendig geitel der bladeren bedorven, die alzo niet meer in ftaat waren enig vogt of uit de dampkring of uit de boom aan te

nemen en tot een goed voedfel te bereiden.

Op deze wyze onnut geworden voor de bomen zyn vele aan de bladfteng bedorven,- en vielen af*

fchoon nog groen zynde. Zo lang het blad

den boom dient, heeft het een "vermogen om in water geftoken, iets van dit vogt op te florpen. Dan ik vond dit vermogen in boombladeren, die groen afvielen, vernietigt, of ten minfien zeer fterk veimindert. Dit is een gevolg- van het verderf (Jeftruclie), het geen de inwendige organen van het blad geleden hebben, yerder merkt men aan, dat die bladeren in het

al-

Sluiten