Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 59 )

bonen, Balfaminen, enz., hier door het eerde aangedaan worden, die nu niet befchadigt zyn. In tegendeel hebben wy gewasfen gezien, die altoos haar groene kruin behouden, de fterkde wintcrvorden weerdaan, en nu egter zeer getciftert zyn. Wat de honingdauw aangaat, deze is vooral in dit jaarfaizoen na een fterk e droogte by ons en elders zeer gemeen; ook dadelyk "snagts tuflchen den 23 en 24 Juni, en waarfchynlyk de voorgaande zo wel als de volgende nagt hier en in Friesland gevallen; dan of men dezelve als een oorzaak der verfchynzels, die onze verheveling verzelt hebben, kan befchouwen, mag met reden in twyffel getrokken worden. De honingdauw is een olieagtige, kleverige doffe, over wiens oorfpronk wy ons thans niet zullen uitlaten; ze is van een zoetagtige finaal;, maar onaangename reuk. Nedervallende worden er de bladeren van bomen, de ftenen, het linnen dat op een bleek ligt mede bevlekt. « Dan de zwavelreuk is aan dezelve niet

eigen, valt alleen by nagt, en op alle zoorten

van bladeren, meer op hoge als lage planten,

voornamelyk als deze door de eerde enigzins befchut zyn, doet minder fchade aan de bladeren van net koorn als aan den air, en wat dies meer is, het geen alles genoeg aantoont, dat er iets

arj-

Sluiten