Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELEGIE. 5

Aan dezen ruimen discb zat eens een zestal kindren

Als fpruiten om uw' ftam... Maar ééne Zuster ziet Met mij dit ruim getal , helaas ! tot twee vermindren;

En de andre plaatfen leêg daar alles ons verliet. Hoe veel deed 't wislend lot hier jaar op jaar verandren,

Tot ons verkleind gezin allengs zoo ver verdween: Gij flaapt in 't lrilie graf gevoelloos bij elkandren,

Beweend van bevend kroott „maar ver verftrooid van één. O! zwangre tijd! o dood! gij die deez' wisling baarde,

Wat lot hebt gij welligt voor mij ook reeds bereid? Gelukkig zij die al de moeite van deeze aarde,

Vergeeten In uw' fcbuot; o! rustige eeuwigheid ! Gelukkig! ja maar ik, kan ik dit nu begeeren?

Mijn heengaan waar' gewis voor éénen hartsverdriet; Want fchoon wij nu elkaêr als lotgenoot ontbeeren,

De hoop der liefde fterft voor leevenden toch niet. Kon ik mijn donker lot van u in ftilheid wagten,

O! goede Hemel! en alleen, of met mijn' vrind, Naar dat geluk, naar die te vredenheid fleclus trachten,

Die waare godsdienst, in haar zalig voorwerp vindt.

A 3 EU-

Sluiten