Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

s ij w ij n POilTRAlT. 52

Het dwalende graveerftift

Gaf mij tog deeze trekken,

En deed de wereld dwaalen

Ten minfte in mijn gelaat;

Maar 't zegt niet veel; zij kent mij,

In denkwijs en gevoelens,

Toch beter door mijn pen.

't Was ook maar loutre zotheid

Haar, naar autheurs gewoonte,

Op een copij te onthaaleu,

Der diep eenvouw'ge hutte

Waar in mijn ziel vertoeft:

Doch 't is nu zoo; en 't ftrcelt mij^

Zoo dikwijls kenners zeggen :

j, 't Copij is ongetrouw."

't Moet mijn portrait toch weezen, 't Geheel heeft iet geli|kends, Voor 't minst bij d'eerften aanblik; De trekken, die ontbreeken, Die u de teêrlte liefde Zoo diep in 't harte drukte, Zult gij dit beeld wel leenen: 't Verzachte ü dan mijn afzijn, Tot gij 't origineele Geheel het uwe noemt.

Da WE $i

Sluiten