Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij een GEVALLEN LAAN. 64

Hoe vaak zag hij mij peinzend dwaalen, Hoe meenge zucht heeft hij gehoord!

Hoe veele traanen zag hij vloeien, Hoe menig klagtje is hier gefmoordl

Als in de fchemering des avonds, Geen landman op zijn akker bleef,

Als zij de fchapen in hun' koojen, De vogels in hun nestjens dreef;

Als eenzaamheid en diepe ftilte

Hier zweefden onder 't zuifchend loof,

O! hoe geviel mij dan die ftilte

Hoe luisterde ik na 't zuifchend loof!

'k Zag dan de lampjens vrolijk flonkren,

In al de hutten hier verfpreid; Dan wandelde ik al heen en weder

In uwe vaale donkerheid.

Ik hoorde gindfchen watermolen

Den zelfden toon al dommlend flaan;

En dacht hoe alles zoo eenzelvig Hier met het leven voord blijft gaan.

E 'k Was

Sluiten