Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN DEN

grooten v ij ver

b p ^

BEEK HUIZE Nó

Ik zat zoo dikwijls aan dien fchoon gebogten vijver

In 't mollig bloemvol gras; Bewonderde in dit dal, omringd van groene bergen,

Die trotfche milde plas: 'k Zag op den fchoonen val van één der hoogten neder,

Die dan een fpiegel fcheen, En, door de zón beftraald, met duizend kronkel-golfjes,

Als vloejend goud verdween: Zijn rinklend lief geruis, dat, zonder luid gedonder,-

Het oor zoo zachtjes vleit, Heeft in mijn ziel zoo vaak de kalme rust doen vloejen,

In luistrende eenzaamheid;

G Doel

Sluiten