Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HUWELIJKS-LIED. 145

Ik dank Gods goedheid, ja, dat zij deez' dag liet komen j

Ik neem u als een pand Van zijne gunst, als 't grootst gefchenk, dat hij kan geeven,

Recht dankbaar uit zijn hand.

Maar ach, geliefde! — ligt noemt gij die vrees ontijdig;

Zij knaagt toch aan mijn hart — Misfchien word ons de trouw, die wij zoo vrolijk floten,

Weldra een bron van fmart!

Men ziet op Aard zoo fchaars gelukkige echtgenooten;

Daar waare liefde knoopt, Vernielt de norfche dood zoo rasch die zachte banden;

Vernietigt daar men hoopt.

Zoo eens.... Doch neen, ik zwijg; gewoonheid aan de rampen

Benevelt mijn genot; Maar 'tis toch dwaas,ons heil door naare vrees te ftooren;

't Is in de hand van God.

Hij fchonk ons aan elkaêr; hij telde reeds de dagen

Van ons geluk; Hij houdt Den besten zegen veil, voor 't hart dat op zijn goedheid

Recht kinderlijk vertrouwt.

K Wij

Sluiten