Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fiS MIJNE KINDERLIJKE

ontroerd en jagend hart loer ik, door eene reet van een glasvenfter, dit fomber tooneel, in eene angftige verwagting, aan; en mijne droevige fnikken zijn de ftomme rouwklagten die dit doodsch bedrijf verzeilen. Helaas! daar komen zij reeds! — met een lleepend gedruis hoor ik de voetftappen der dragenden frommelen; ik zie hen beladen met den mij zoo dierbaaren last; zij zetten dien in het treurige voertuig neder het gerammel der losgelatene

hengfelen knarst mij akelig door de ziel, en mijn oog is aan deze doodkist geboeid. Hoe gaarne wilde het nog éénen blik, door dezelve heen, op het lijk mijner Moeder werpen! doch kan niet. — I\u dekt men het lange doodkleed daarover, en terwijl een zwellende traanenvloed mijn gezicht bedwelmt , verdwijnt mijn ijdele wensch in matten rouw. De wagen rijdt weg — het

gedreun zijner langzaam voordrollende raderen roert mij op nieuw;" en gevalt mij— mijn oog ftaart dien na, en rust op de droevige dood tekenen die hem verfieren — mijn oor luistert na het allengs wegftervend ge. luid ^—— mijn hart wil zijnen meer en

Sluiten