Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44 MIJNE KINDERLIJKE

Ook nu! nu vind ik die ledigheid, die verlatenheid op alles rusten; ik zie het pad voor mij dat de dierbaare Vrouw nog voor weinige weeken, met een matten flependen

tred, al bevend en hijgend, betrad .

Ik zit in het prieeltjen daar zij rust zogt, eh al rustend leed, op hetzelfde plekjen waar zij zat, waar zij zig koesterde in de ftraalen der zon, zig verheugde in den glans der bloemen en kruiden, en in de gantfche fchoone Natuur die op haar werkte. Och! ik verbeeld mij nog den vrolijken blik dien zij op alles floeg, om dat haare hemeifche ziel in elk blaadjen, in ieder bloermjen, Gods vaderlijke goedheid kon lezen , en zig boven de wereld — daar lijden woont; tot Hem als tot haare zaligheid verhief.

Daar ginds zie ik de kamer voor mij, waar deze edele Lijderes, de laatfte maanden haars levens, den moejelijken ftrijd volftreed, het haar toegefchikte lijden, afleed, en —. waar zij ook overwon. Hoe veele verichiilende , roerende en kerende , blijde

Sluiten