Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54-

MIJNE KINDERLIJK^

de zij altijd juichende te fterven — en dat verlangen is vervuld, Zij fprak wel r.iet veel, niet fchitierend, niet tegen elk

dien zij zag over haare vervvagting

en haar geluk — maar zij gevoelde 'er de volle kracht van; drukte meestal de hemelfche ru-t-van haare ziel, en de blijmoedige hoop, die haar vervrolijkte, in haar gelaat, of in korte woorden, uit, en niemand verliet het leger haarer krankheid zonder die volle overtuiging dat Godsdienst za-? ligheid is, en zonder dien wensch in zijn hart: „ mijn einde zij ais het haare."

Dankbaarheid aan menfchen, dankbaar, heid vooral aan God was een hoofdtrek van haar karakter. Dan zelfs wanneer andere menfchen haar beklaagden in 't midden van haare zwaare benaauwdheid, dan dank. te zij Gods goedheid voor elke verademende tusfehenpoos die haar kracht gaf om op nieuw te dulden; en voor niets was zij angffiger dan dat zij in de bedwelming van 't lijden die goedheid miskennen, en niet roemen zou.

Sluiten