Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJNE KINDERLIJKE TRAANEN.

ling en gemis aan het einde derzel-

ven zien wij elkander in de eeuwigheid

weder om niet weêr te fcheiden.

Welke verhevene aanmoediging om haar pad te bewandelen, haare voetftappen te drukken, en met haar zalig te zijn in hoop! O! hoe gaarne wil ik de aarde, waar mijne Moeder niet meer is, het land mijner vreemdelingfchap noemen; en, los van haare vreugde, niet overmaatig gedrukt door haare zorgen , mijn vaderland te gemoet reizen, dat boven de ftarren is, waar mijne Moeder reeds juicht.

Vloeit dan zagter, tedere traanen! geen moedbeneemede melancholie, maar hoopend, vrolijk nadenken doe u vloejen! — Zoo hebben wij de geliefde zalige belooft) te zullen weenen.

Lui* &u.

Sluiten