Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10 DE GEBREK KIGEN.

DE GEBREKKIGEN.

Eénskreeg Jupyn 't in'r. hoofd, dat hy alP wat hy fchicp Voor zyncn troon te lamen riep. Hy fprak: „ Elk mag myn Grootheid klagen

„Wat hem aan zyn gedacht, ofmaakfelmoog'mishagen. „Men ducht' geen kwaad gevolg daarvan:

„ 'k Zal elk voldoen, zo veel ik kan, „ Gy, Aap! fpreek eerst. Kom, Hanneman! „ Befchouw den dierendrom. Gy moet oplettend kyken, „ En aller fchoonhcid eens met de uwe vergelyken. „ Zyt ge over u voldaan ?" — „ Jupyn! wel waarom niet ? „'k Heb immers, zo als zy, vier poten, als gy ziet. „ Myn beeldtnis heeft zich nooit het kleinst gebrek verweten; „ Maar ik kan broeder Beer zo fraai gemaakt niet heeten: „ 'k Heb ernstig hem ontraên zich te doen fchildren". Toen Verfchecn de Beer;elk dacht hy zou eeneaanfpraakdoen, En klagen, maar geenszins! men vond zich grof bedrogen: Hy kwam zyn fchoonhcid fraai betogen,

Schimp.

Sluiten