Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2Ö DE ZWALUW EN DE KLEINE VOGELTJES.

„En in den tyd dat u dc vogelaar verkloekt,

„ Dan is 't dat myn geflacht een zekre fchuilplaats zoekt.

„ Dat u de zwaai der hand der zaaijers toch doe fchroomen!

„De tyd zal, en zelfs fpoedig, komen, „Waarin dat Huivend' zaad het middel tot uw' val, „Geliefde vrinden! baren zal. „Het zal de menfchen ftrikken geven, „Waarin gy vliegend' word gedreven. „Mistrouwt dan hand en zaad,en houd toch voor gewis, „Dat u door beiden dood, of boei, befchoren is. „Ontwykt de fpeten, of de kouwen! „Wilt toch een' vrindenraad vertrouwen: „Verflind, zo ras gy kunt, dit zaad." De vogels fpotten met dien raad. Het wierd een zotterny geheeten; Hoe zou men zo veel zaadjes eeten!

Zodra nu 't zaad gefchoten was, Riep 't Zwaluwtje: „Och! myn vrinden! ras, „Ontfcheurt elkfpruit den grondwet zyn doemwaarde zaden! „Of acht voorzeker u gevangen , of gebraden."

Men fchreeuwde: „Praatvaêr! Rampprofect!

„Wat;

Sluiten