Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22 DE ZWALUW EM DE KLEINE VOGELTJES.

Dees wyze raad kon ook niets baten: De Vogels, moe' van zo veel reen, Begonnen daadlyk onderéén Zo deerelyk verward te praten, Als 't volk van Troije deed, toen Priams kroost in nood,

Tot heil des ftaats, den mond ontfloot i). In 't eind', het Vooglenheir,volhardende in zyn gangen, Zag in den herfst zich meest in ftrik, of net, gevangen.

*■ -fr

't Gaat met ons ,menfchcn ! juist als 't met dees Vooglen gaat:

Men hoort, men volgt alleen zyn neiging. Men geeft flechts fpaarzaam acht op wisfe rampbedreiging; De mensch gelooft die fchaers, dan als het is te laat.

i) Dit ziet op Casfandra, dochter van Priamus, koning van Troiji1; wier voorfpellingen door de Troijanen wierden in den wind gcflagen, daar die intusfehen niet dan maar al te wel wierden bewaarheid.

Sluiten