Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOLF EN HET LAM. 25

DE WOLF EN HET LAM.

D c reden op zichzclve, ik ftem dit toe, is magtig; Maar die der fterkften is toch doorgaans wel zo krachtig, Als die van hem die niets dan flechts betogen kan. Dit is 't wat wy bewyzen willen;

Men neem' dan eens een proef daarvan, Een Lam liep, om zyn' dorst te flillen, Naar een' bekorelyken vloed, En wierd daar door een' Wolf ontmoet, Die, door den honger aangedreven, Zich in de weiden had begeven. „Hoe durft gy, fprak hy, gantsch verwoed, „ Myn drinkplaats met uw' fnuit beroeren ? „ Wat ftoutheid, fchaadlyk dier! kon u zo verr' vervoeren ? „ Gy zult u zien geftraft voor zo veel roekloosheid:" j

„Och! fprak het Lam, uw majesteit „ Zy niet verfloord: 't gelieve op 't gunftigst haar te denken, Dat ik, wel verr' van haar in haar gezag te krenken,

B 5 „Myn

Sluiten