Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42 DE DOOD EN DE HOUTHAKKER.

gZ=a^BETr—11"- '^.rr^w-^^,.,,.... . ^

DE DOOD EN DE HOUTHAKKER.

Een arme boer, gewoon in 't woud Aan zagen, kappen, en aan torsfchen van zyn hout, Gedrukt door ouderdom, en afgefloofde leden, Kwam, met een' zwaren last, zwaarmoedig hutwaarts treden, En wierp, onmagtig meer één voetftap voort' te gaan, Zich by zyn vracht ter neer. „ Wat brengt toch't lot my aan !" Dus fprak hy. „ Heeft het my ook blyk van gunst gegeven, „ Van myn geboorte af aan! Daar is geen menschin 't leven,

,, Dit durf ik houden voor gewis, „ Die meerder dan ik ben beklagenswaardig is! „ Nooit rust,fomtydsgcen brood,geendrank,om myteftcrken, „ Moet ik voor wyf,voor kind,foldaat,enheerfchap werken!" Schuldëifcher, heerendienst, 't maakte alles dezen man Zo ongelukkig als ooit fterfling wezen kan. Hyroept:„KomiDood!"Zykwam,vraagt„wat hy heeft te zeg-

Hy fprak: „Och! niets, dan dat uw hand (gen?

„Dit vrachtje, dat daar legt in 'tzand, „Gelieve, op nieuw, terftond, my op den nek te leggen."

'tls

Sluiten