Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

DE VOS EN DE OJEVAAR.

DE VOS EN DE OJEVAAR.

Heer Vos, toch uit den aart op guitery geflepen, Wierd ééns door eene luim van mildheid aangegrepen, En vroeg een' Ojevaar, die langs zyn woning ging, Te gast. De langbek kwam! 't Onthaal was zeer gering; Want mildheid in een' Vos'is waarlyk zonderling! Hy dischte flurpfpys voor, maar in een ondiep bekken, Zodat de langbek niets van 't vocht kon tot zich trekken; Straks flurpte meester Vos de fiurpfpys fmaaklyk op. Dit Hak vrind Ojevaar geweldig in den kop! Hy fpitst zich op de wraak, in eenzaamheid gezeten, En noodigt, lang hierna, den Vos om by hém te eeten. „Zeer gaarne, fprak de Vos, ik doe dat met vermaak, „ Wantomflag meteen' vrind is gantsch niet van myn'fmaak!

„ 't Stryd en met vrindfchap, en met reden!" Straks zag men meester Vos naar langbeks gastmaal treden.

Deze, achtend'reeds den Vos verrast, Prees ruim de hoflykheid en vryheid van zyn' gast,

En

Sluiten