Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EIKENBOOM EN HET RIET. SS

DE EIKENBOOM EN HET RIET.

Eéns fprak een Eikenboom tot een nabyzynd' Riet:

„ Gy moogt u van natuur beklagen; „ Der kleinfte. vooglenfprong kunt ge immers niet verdragen, „Het is een last, waardoor ge u ftraks gebogen ziet. „ Dreigt niet de minfte wind u eeuwig neêr te drukken? „Ten minste dwingt hy u en hoofd en rug te bukken;

„Daar ik by ftorm, het ga hoe 't ga, „Gelyk een Caucafus, op myne wortels fta. „ Niet flechts vernoegd met gloed van zonnevuur te keerens

„Durf ik den fclften ftorm trotferen. „De kleinfte wind ftrekt u byna tot een' orkaan; „Voormy, 'kzieiedcr wind flechts als een koelluchtjeaan. „Had noch natuur aan u, ö Riet! de gunst befchoren

„Dat ge in myn fchaduw' waart geboren: „Dan leed gy min van 't geen.ik nu met fmart aanfehouw, „Vermits myn blad uw hoofd voor ftorm befchutten zou: „Dan, och! natuur doet meest u vinden

D 4 „In

Sluiten