Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56 de eikenboom en het riet.

j, In natte poelen, daar de winden „Hunn' zetel houden aan de boord. „Natuur deed niet by u gelyk natuur behoort!" „ Uw goedheid kan, ö Eik! dat medelyden baren;" Djs fprak het teder Riet; „ Maar laat uw zorgen varen. „De wind, waarvoor ge my zo nedrig buigen ziet, „Is van veel meer gevaar voor u, dan voor ons, Riet!

„Ik buig myn' rug; doch zonder breken. „ Tot noch toe is uw rug voor 't frormcn niet bezweken, „ Maar weet ge uw einde alrce' ? " Na 't uiten van die taal, Ontftaat 'er ftraks een ftorm, die opftak, op ééncmaal, Zo hevig als ooit ftorrn in 't luchtruim op kan fteken.

Het Rietje buigt zich , de Eik hond ftand ; DewinJnecratbevigtoe, pntfeheurt zich gantsch den band, En werpt den trotfen Eik, na fchokkenen veel fportlen,

Ter aarde, ontrukt aan zynewortlen, Schoon, naar zyn' waan, in 't hart der aarde vast geplant.

Sluiten