Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

öö DE STA-RRENKYKER EN DE PUT.

Of opdat ik het heil dat nadrende is befchouw'? Waardoor 't ray fmaakloos worden zou! Hy zou dus myn' gclukftaat dceren; Myn ramp wierd grootcr, 't heil zou dus in druk verkeeren. Een dwaling, of veeleer een misdaad, is die hoop! 't Heelal beweegt zich, ja elk dwaaiftar heeft haar' loop; De hand die onze zon als dagtoorts ecuwig vestte, Roept in het oost' haar op, en leid haar tot het weste: AU' wat de geest hiervan met zekerheid bepaalt, Is dat het noodig is dat zy en ryst en daalt, Dat zy faizoenen vormt, dc zaden Hooft, doet groeijen, En zy haar' invloed ons weldadig toe doet vlocijcn. Voor't ovrig', wie ontleed, wat mensch heeft daartoe hoop!

Den grond van dien bepaalden loop ? Kwakzalvers! die ons wilt voorfpelling doen geloven,

Verlaat voor 't minst der vorsten hoven; Ontflaat u van uw' droom: fchoon u die gunstig zy,

Hy is en blyft kwakzalvcry... 'k Word driftig. Laat ons liefst weer tot myn Fabel keeren. Laat ü de wyze man die in den put viel leeren, (Behalve dat zyn kunst in 't minst niet gaat gewis,)

Dat

Sluiten