Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HAAS EN DE KIKVORSCHEN. OI

Dus fprak de Haas, tervvyl zyn fluimrend oog ileeds waakte,

En alles hem beangftigd maakte: Een fchaduw',windje,eenniets,jaagt fchicrdc koorts hem aan. 't Zwaarmoedig dier, dus fterk door angflen aangedaan, Verneemt een klein gerucht: dit was voor hem een teeken Van nood, en om terftond fnclvlugtende op te breken. Hy komt naby een floot, en ziet een' gantfchcn hoop Van Kikkers, hoogst ontftcld door zyn' gezwinden loop, Als hadden zy de hand eens moordenaars te ontkomen,

Zich ylings werpen in dc ftroomen.

„ Och! fprak de vlugge bloodiiart toen, „ 'k Zie dat ik andren doe wat andren aan my doen: „ My jaagt men vrees aan, ik doe andren weder vreezen, „Daar zyn 'er dan die ik ontzaggelyk kan wezen! „Ik heb de fiddering door 't Kikkerhcir verfpreid!

„Van waar komt my die dapperheid? „Hoe! dieren die, verbaasd, my, op myn komst, ontloopcn! „Ik mag dan op den naam van oorlogsblikfemhoopen! „ En zie dat op deze aard' geen laffe bloodiiart leeft, „ Die tot zyn' makker niet noch laffer bloodiiart heeft."

Sluiten