Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PAAUVV, ZICH BEKLAGENDE BY JUN0. 97

„ Die met zó ryk een' Haart, door myne gunst, moogt pralen, „Dat diamanten niet by uw verfierfel halen!

„Wat vogel is 'er in 't heelal, „ Die om het fchoon der pluim, met reden, kan of zal

„Ooit met u in één ftrydperk treden? „Natuur, die 't all' heeft toebereid, „ Schonk ieder dier, daar zy het fchoone alöm verfpreid,

„Niet evenveel bevalligheden. „Zy fchonk aan elk zo veel als noodig wierd geacht: „ De maat van dat gefchenk is wyslyk uitgedacht.

„ De één doet zich door zyn grootheid noemen,

„Een ander hoort zyn krachten roemen. „De Colibriet is teer, een Adelaar vol moed,

En Kraai en Raaf zyn by de volken

„Berucht als wondre godentolken,

„Wier kreet fomtyds voorfpelling doet. „ Dus Haak uw dwaas beklag, laat nyd uw hart ontruimen; „Of ik ontneem, ter ftraf dier zotheid, u de pluimen."

I. DEEL. G

Sluiten