Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ESOPUS UITLEGGING VAN EEN' LAATSTEN WIL. 107

Men maakte dan van 't goed drie loten: 'tEen van't geen tot de teelt des vvyngaardranks behoort,

Als mede van al de eêlfte wynen , Huisflaven, zilverwerk, en wat het oog bekoort, In't kort, van 't geen ten dienst derflempery kon ichynen. Het tweede lot hield in 't paleis dat in de ftad Onze overleden man weleer bezeten had, Den hoop gefnedenen , de kapfters, praalgewaden, Borduurfters, en all' 't geen den wellust kan verzaden. Het derde lot hield in en bosch en korenland,

Het vee in weiên en op ftallen,

AH' wat tot voordeel was beplant, Het ploegvee, 't boerenvolk, de vette landen allen. Maar toen men zich in 't eind' tot loten had bereid,

Ontftond 'er weder zwarigheid:

Men wierd weerhouden, door 't bedenken Dat vrouw Fortuin, die nu de deelingmagt bezat,

Aan de ééhe zuster licht kon fchenken,

Het geen dat de andre gaarne had. Men liet de zusters dus de vryheid om te kiezen;

Dees waren met de zaak te vreên.

Die

Sluiten