Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lïl DE MOLENAAR, ZYN ZOON, EN DE EZEL.

Die mededingers van Horatius, wiens zwier

Zy erfden, met de klank van zyn beroemde lier,

Die zonen van Apol, die hy befloot te leeren,

Of liefst, ronduit gezegd, dier dichtten voedfterheeren,

Ontmoetten eens elkaêr alléén, op zekren dag.

Daar voor elkaêr het hart geftadig open lag,

Nam dus Racan het woord: „ Zeg me ééns, mag ik u fmeeken,

„Gy, die de waereld hebt bekeken, en doorkeken,

„ Met grond te fpreken weet van voor- en tegenfpoed,

,,Enwicnmen, fchoon bejaard, in omgang zoeken moet!

Wat Haat denkt gy, myn vrind, dat ik my moet verkiezen?

„ Myn jaren fchietcn aan; ik moet geen' tyd verliezen.

„Gy kent myn goed, geboorte, en mate van verftand:

„ Zal ik, in 's levensbloei, gaan leven op het land ?

„Zal ik my in den kryg, of dienst van 't hof begeven?

„ 't Is alles op deze aard' met zoet en zuur doorweven!

Het huwlyk heeft zyn zuur, en de oorlog heeft zyn zoet:

Ik weet myn keur en finaak, dus wat ik kiezen moet;

», Maar'thof heeft ook zyn'fmaak;men moet voor'tminst dien

vreezen;

„"e V >!k heeft den zynen ook, en dient voldaan te wezen."

„ Hoe

Sluiten