Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114 de molenaar, zyn zoon, en de ezel.

Dees klaagde, in brabbeltaal, van ftyfheid onder 't gaan; De Molenaar trok zich deze Ezelsklagt niet aan; Maar deed het arme beest den Herken jongen dragen. De wandlaars toonden weêr deswegens hun mishagen: Men fchrceuwdc: „ Beter waar' 't dat gy den grond betrad, „Gy, luijc jonge! cn dat uw gryzc vader zat" „ Mynhecrenifprak toen de oude,ik moet mynfchuld belyden • „ Den jongen voegt het gaan, ons, ouden ! voegt het ryden''. De Vader reed, de Zoon voert langoor aan de hand. Drie wyven riepen toen: „ Het is, waarachtig! fchand', „ De tedre jeugd zich dus door gaan te doen verhitten, „ Daar de ouden, als een kalf, maar zo gcmaklyk zitten; „ 't Is of 't een bisfehop is, of een aanzicnlyk heer!"

■ „ Men is gewis geen kalf op mync jaren meer; „ Vcrvolgt,in 's Hemels naamlfprak de oude man,uw wegen." Ka nutteloozen twist wierd eindelyk gezwegen. De man dacht: Hel ik my ook aan verwyting bloot? En nam, op 't oogenblik, den jongen op zyn' fchoot; Men was naauw' dertig treên in vrede voortgetogen, Of trok, nu meer dan ooit, der wandelaarcn oogen: „ Ziet 1 riep men luidkeels uit, dees Hén zyn zeker mal!

„Ik

„Ik

Sluiten