Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118 DE LEDEN EN DE MAAG.

„ Het lot diens meesters is om van de lucht te leven, „Wanneer we ons uit zjm' dienst begeven.

„Wy wroeten, zweten, zo als daaglyks ieder ziet:

„Voor wien? voor hem alleen! en hy beloont ons niet.

„ Wy zorgden, op dat hy in volle rust kon teeren;

„ Hy rust', maar laten wy van hem ook 't rusten lecren.

j,lly wil 't zo!"Dus gezegd, dus dadelyk gedaan: Ja, de armen bleven werkloos hangen,

De handen zwoeren fterk geen' arbeid aan te vangen, De voeten weigerden te gaan; 't Riep alles, met gefchreeuw en vloeken: „Heer Maaglmoog' zelf zyn nooddruft zoeken!" „Wy, Leden! zyn hem niets verpligt."

Welhaast ontfloot dc nood des muitelings gezigt: Zy voelden, op één' tyd, zich allen Door nare kwyning overvallen.

Pyn bragt berouw, berouw wcêr fmart.

Geen versch ontfprooten bloed kwam langer by het hart; Elk Lid leed onverdraagbre pyncn, En voelde zyne kracht verdvvynen. Toen zag dc muiteling wel ras,

Dat

Sluiten