Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WOLF HERDER.

121

DE WOLF HERDER.

Een Wolf, geftaêg ter jagt in 't wapen, Was federt lang verdacht by zyner buren fchapen; Waarvan hy meer dan één, dan in een' vosfenhuid, En dan weer op een loozer wyze, Zich had verftrekken doen ter fpyze. Zyne oude rol was eindlyk uit; Dus moest hy nu de zinnen fcherpen, Om zich een nieuwe rol te ontwerpen. Hy kleed zich in een' herders rok, En hangt, opdat het fchaap ,hem als een', guit niet myde, Een pypzak, als de baas der kudde, aan zyne zyde,

En neemt, voor herdersftaf, een' flok. Om verder aan het fchaap geen achterdocht te geven, Had hy, zo 't mooglyk ware, op zyne muts gefchreven! „Ik ben Gaillot, de baas, ö fchapen! van uw hok." De fchyn-Gaillot, gedoscht in zyne herderskieden, Bezag den hoop met ectenslust;

H 5 En»

Sluiten