Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VOS EN DE BOK.

I27

DE VOS EN DE BOK.

Een Vos, zo loos men immer zag, Ging, op een' heeten zomerdag, Met Bok, zyn'vrind, berucht door zyne groote hoornen.

Langs veld en heg, door ftruik en doornen. Vrind Bok bezat een baard als waar' die van een' reus, Maar zyn veritand!... Dit zag niet verder dan zyn neus; Daar Vos een meester was in looze boevenftukken. De wandlaars voelden zich door dorst geweldig drukken,

Zo dat men zich genoodzaakt vond, By 't zien des eerften puts te dalen tot den grond. Nadat het vocht den dorst geheel had weggenomen, Befchouwt het paar den hoogenmuur, Kykt op elkaêr niet weinig zuur, En ziet de zwarigheid van uit den put te ontkomen. In 't eind', nam Vos het woord, en fprak: „ Myn lieve vrind!

,,'t Is

Sluiten