Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I'30 DE AREND, DE WILDE ZEUG EN DE KA.

DE AREND, DE WILDE ZEUG EN DE KAT.

Een Arend leef Je zonder fchroom, Met zyne jongen, in een' boom; En aan diens voet hield zich een wilde Zeug verfcholen, Met haar gebroed. Een Kat was in één van de holen Des booms genesteld, en hield, met haar jong gezin,

Zich tusfehen Zeug en Arend in. 't Leefde all' in goed vcriland, niets kon de rust verhindren Der moeders en der lieve kindren. Alen at en dronk 'er ondereen, En alles was op 't hoogst te vrcén; Wanneer de Kat, door fchelmfche ftreken, Haar eigen! ondernam dien heilftaat af te breken. Zy klom naar 't Arendnest, en fprak, half met geween: „ Vrindin! zie toe, dc dood is ons gewis befchoren,

„Ten minfle is ons geflacht verloren, „ Wat zeg ik! oud en jong, wy zyn hier lotgemeen!

„De

Sluiten