Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AREND, DE WILDE ZEUG ÉN DE KAT. I 31

„De duivel heeft dat Zwyn hier ónder ons gedreven! 5,Zyn tanden maken vast een' toeleg op ons leven; j, Zy kerven nacht en dag met yver in den voet „Des booms, ons ten verblyf gegeven; „Waardoor die boom in 't einde onfeilbaar vallen moet: „ Myn kroost kan noch niet gaan, het uwe noch niet zweven; „Dus worden zy gewis een prooi van 't Zwyngebroed; „ Want is de boom in 't zand gevallen, „ Dan heeft het beest de jongen allen. „Behield ik 'er flechts dén, vrindin! ik klaagde niet!" Zy daalt, daar zy de vrees in de Arendwooning liet,

Terftond naar 't nest der wilde Zwynen; En zegt: „ Myn vrinden! och! uw rampen zyn de myncn: „Ik waarfchouw u in ftilte, als een getrouw gebuur. „ Verlaat uw wooning niet, of dees geliefde jongen „Zien zich door Arendbuur,die boven woont,befprongen. „ Meld niet dat ik 't u zeide, of 'r. Hond my lichtlyk duur." Nadat zy dus het Zwyn met hare vrindfehap paaide,

En fiddring in de woning zaaide, Duikt zy weer in haar nest; en de Arend, vol vanfehrik, 1 * Ver.

Sluiten