Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

DE ZWAAN EN DE KOK*

DE ZWAAN EN DE KOK.

In een getralied vak, waarin veel pluimgediert'

Vergaêrd en onderhouden wierd, Was zekre Zwaan en Gans door 's meesters hand gefmeten; De één diende tot vermaak, en de ander tot een eeten. Zy waren op elkaêr geweldig derk gebeten. De Zwaan beroemde zich, den jongen Gans ter fpyt,

Eewooncr van den hof tc wezen;

De Gans, geprikkeld door dennyd, Zei dat hy door al 't huis als nuttig wierd geprezen, En dat hem overal het huis ten diende dond,

Als dienstig voor een' lekkren mond. Men zag hen by elkaêr naby het lusthuis leven, En naast elkanders zyde in 't droomend' water zweven, Klapwieken om het fchoonst, zich domplcn in het nat, Uit onverzaadbren trots die 't moedig hart bezat. Dc Kok, op zekren dag door drank te derk bezeten,

Had

Sluiten