Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. NEDERLANDEN. 181

zet zou mislukken. De Belegeraars riepen, onder andere fmaaciredenen , den Belegerden toe: Het is uwen Prins zo onmogelijk de Stad te verlesfen, als u met de hand de fierien van den hemel te grijpen.

Ondertuslchen leeden de Leydenaars alle de jammeren van den bitterden hongersnood. Vijftien nooddruftigen, op hun verzoek ter Stad uitgelaaten, werden door de Spanjaarden, geheel uitgefchud , of de kleederen tot den navel afgclheeden , weder te rug gezonden. \ Naa den dood van 's Prinfen Overften, Bronkhorst , die door zijne geftrenge geregtsöefening ontzag hadt weeten te houden over de kwalijkgezinden, wier geduld ook mogelijk, door zo veel leeds, ten einde liep, begon het Volk tegen de Overheid te morren. Deezen moesten, was hunne fchampere taal, wel veel geftoolen hebben, daar zij zich op geene be. loften van genade durfden verhaten. Spijsgebrek', en het inflingeren van ongewoon en nauwlijks verteerbaar voedzel, deedt hun om lijftocht, met oproerig geweld , fchreeuwen. \ Eenigen der misnoegden kwamen ten huize des'Burgemeeflers, Pieter Adrtaanszoon van der Werf , hunnen nood, met fier gelaad en dreigende woorden, te kennen geeven : waarop hij hun te gemoet voerde: Mijne vroome Spitsbroeders en Medeburgers , eens heb ik Eed gedaan den Vader lande en deeze Stad. dien hoop ik , door de hulpe van den Geever alle. goeds \ ftandvastiglijk te houden. Spijze heb ik niet en moet toch ééns fterven, op wat wijze is mij om ' even, *t zij mij de dood van Vriend of Vijand toeko S 5 ««

Philips de II.van Spanje.

Deerlijke hongers. nood in Leyden.

De muitendemenigte door van derWerf gcftild.

Sluiten