Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Philips de II. van Spanje.

388 GESCHIEDENIS

Oranje , goedgevonden hadt, dit voorregt den Invvoonderen van Leyden te fchenken, om hun te beloonen voor de drukkende rampen, die zij van wegen hunne trouwe voor hem , uitgeftaan hadden. Denzelfden Naam en foortgelijke redenen leczen wij in de openc Brieven, die Vlhfmgcn en Veere zitting in de Staatsvergadering vergunnen. Niets in dedaadfcheen belachlijkar, niets tegendrijdiger. Van hier de twist over de wettigheid deezer voorregtbrieven (*). Maar deeze onbegaanbaarheden waren oniiffcheidelijk van den toenmaaligen ftand der dingen; de Misnoegden betuigden alzins niet tegen den Koning, doch tegen de Dwingelandij te vegten. Zij vreesden, dat zulk eene daad van Oppermogenheid buitenlandfche Vorften, op wier hulp zij hoopten, van zich mogt vervreemden. Ook merkte Prins Willem zich aan, als Stadhouder van een wettigen Graaf, die regeerde naar den eed, aan de Landen gedaan, of immers ten eenigen tijde zodanig regeeren zou, en gevolglijk eene Stad beloonen moest, welke zo veel hadt uitgedaan , in het handhaven der Vrijheid' tegen de Dwinglandij der geenen , die den Koning met kwaaden raad dienden. De Prins hadt nog alle hoope niet weggeworpen eener bevrediginge met de Nederlanden, en dat de Koning eens de oogen zou openen, om zijne waare belangen te zien; en dan vertrouwde hij, dat alles, 't geen , middelcrwijle, uit noodzaake, op 'sKonings Naam, gefchied was, zou

goed-

(_*") Pieter Paulus Unie van Utrecht. I. D. bl. 19.20.

Sluiten