Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 321

toeftand zagen de Staaten en de Prins geen kans, om zichzelven teverdeedigen, en geen buitenlands Vorst belangloos genoeg, om hun, uit genegenheid, openlijken bijftand te verfchaffen. Hierop beflooten zij allen, de Stad Gouda alleen uitgezonderd ,„ dat men „ den Koning verlaaten en vreemde hulp zoeken „ moest: de keuze ftellende aan den Prinfe, die egj, ter, op het ftukder Regeeringe, vooraf het goedj, dunken der Staaten zou hebben inteneemen (*)."

Het Keizerrijk , waar aan zommigen dagten, en het raadzaam keurden, van 't zelve een Lid te wor" den, was een te zwaar en te traaglijk beweegbaar Lichaam , in dit tijdgewricht, 't welk fpoed eischte. Men moest dan op Frankrijk of Engeland het plegtanker werpen. De laatfte Egtverbintenis desPrinfen met eene Prinfes uit den Huize van Bourbon , degelegenheid van zijn Vorftendom Oranje in Frankrijk, het nog heffen der Verlofgelden te Ca/ais , de altoos ftandhoudende afgunst der Engelfchen in het ftuk des Koophandels, en misfchien eene heimlijke genegenheid voor de Franfchen , die Willem de I. meermaalen liet blijken, deedt hem het meest tot Frankrijk hellen. Ook zondt hij, gewoon met die beide Mogenheden tefFens te handelen , Junius en Aldegonde na Frankrijk, om te onderzoeken, of men van daar eenige hulpe kon bekomen (f). Doch het onverdraagzaam en dwinglandsch Staatsbeüuur

ia

(*) Refol. van Heil. 1575, bl. 6"<J2. (|) Bor, VIII. B. bl. 118.

B 3

Philips de II. vaa Spanjt.

En raad-

pleegt, om in Duitschland,Frankrijk en Engeland heul te zoeken. Tot het laatfte wordt beflooten.

Sluiten