Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56S

geschiedenis;

Willem de I.

begin maakten met den Prins van Oranje, gelijk zij, eertijds, met den Admiraal de Coligni gedaan hadden. Het Volk was gereed , hem ten lijve te vallen. De Hertog van Anjou vreesde voor zijn perloon. Ik heb, fchrijft Petit , hem hooren betuigen , dat hij nimmer godvrugtiger en meer op zijn dood bedagt geweest was, dan ten dien oogenblikke (*). Hij deedt de fpeelen en vreugdebetooningen, tegen den avond belleld , ftaaken, en zondt vertrouwde lieden na zijne Doorlugtigheid. Gelukkig kende men, bij onderzoek, den Moordenaar,en de papieren, welken men bij hem vondt, gaven te verftaan, dat hij een Spanjaard was, wie zijne Medepligtigen waren, en wie hem tot dit fnood bedrijf hadt aangefpoord. Anastro was het door eene tijdige vlugt ontkomen, doch VenerO en de Dominicaan Timmeeman geraakten in handen, deeden bekentenis , en leeden eene welverdiende doodftraffe.

De Prins was terftond op den fchoot in zwijm gevallen, en verhaalde, naderhand, hoe hij dagt, dat 'er een ftuk des gebouws inftortte. De wonde werd niet doodlijk gefchouwen. Schoon de groote Kropader was afgefchooten, hadt de hitte de wonde toegefchroeid en het bloeden geftelpt; doch, naa eenig tijdsverloop , ontfprong de gefloote ader met eene zwaare bloedftorting. Deeze dreigde den dood , en □kante wagtte niets anders. Hij vroeg aan zijnen Hofprediker Villieks , hoe hij Gode rekenfchap

zou

(*) Petit, II. p. 446.

Sluiten