Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4i» G ESCHIEDENIS

WiLLEM DE i.

Straf des Moordenaars.

„ de, 't welk men vervaardigde." Doch, als zijne Hoogheid, van tafel opgedaan, de trappen afging, ontmoette hem de Moorder , die , zich gelaatende het Paspoort te vorderen, een Piftool, met drie Kogels gelaaden, op hem losbrandde. Hij Bonte neder. Louisë de Coligni zag haaren tweeden Gemaal, gelijk haar eerften en haaren Vader, vermoord. Schoon zommigcn twijfelen, of zijne Hoogheid, zo doodlijk gewond, heeft kunnen fpreeken, wordt hem over 't algemeen dit merkwaardig zeggen in den flervenden mond gelegd: Mon Dieu, mon Dieu, ayez

pietè de mot ei? de tonpauvre Peupte ! Mijn

God, mijn God, erbarm u over mij en over uw arm Folk ! 't Geen meer te gelooven is , wanneer hij , gelijk Hoofdt aantekent, op de vraage zijner Zuster , de Gravin van Zwartfenberg , „ of hij zijne Ziel niet in de handen van Jesus aanbeval?" een Ja , zijn jongfte woord, uitbragt (*).

De Moorder tragtte zich weg te maaken, door eene Stalling vlugtte hij na de Vest, om van dezelve aftefpringen , en , door behulp van twee Blaazen, de Gragt overtezwemmen; doch twee van 's Prinfen Dienaaren agterhaalden en vatten hem. In de ondervraaging beleedt hij, Balthazar Gerards te heeten, en te Fillefans , in 't Landfchap Bourgondie , gebooren te zijn: als mede , dat hij, zints lang, van wille was geweest, om dit Buk te pleegen, dat een

>

(*) Hoofdt, II. D. bl. 902. 903. '/ Leeven van mihm den I, III. D. bl. 688.

Sluiten