Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

GESCHIEDENIS

maurits,

Aanmerkingenhier over.

Koning Hendrik Haat de aanbieding af.

(*) Hoofdt, II.D. bl 97i. (t) Refel. Holl. 1584. bl. Ó87,

„ houders in hun Ampt te baten: en, naa het ont. „ vangen der Landen op deeze voorwaarden, geene " anderen aan eenige derzelven toeteftaan, dan bij „ bewilliging der overigen (,*)•"

In het ontwerp deezer nadere Verdragpunterr ,■ zo zeer verfchillende van die men Anjou voorfchreef, agten zommigeu, dat de Afgevaardigden hunne magt te buiten gingen : maar , behalven dat de zaaken der Bondgenooten van tijd tot tijd meer rugwaards liepen , dagten zij , eenen Koning meer dan eenen Hertog te moeten toeftaan. Men hadt zorg gedraagen , dat de Hollanders, door een heimlijk Renverfaal, niets bijzonders bedongen. Veel durfde Hiervoor Graaf Maurits niet eifchen; maar den Koning verzoekende, om de bijzondere Stadhouders in hunne posten te laaten blijven , mogt Maurits op het Stadhoudeifchap van Holland, en misfchien dat van Zeeland, rekening maaken : wanneer men befloot, vóór het bekragtigen van het Verdrag, hem met die waardigheid te vereeren. In Holland hadt hij reeds, als Stadhouder , toen eenige Voorregteu (f).

De Koning fcheen genoegen te neemen in de Voorwaarden. De maar hier van klonk tot in deeze Gewesten, en men verwagtte niets anders, dan de volkomene bekragtiging. Bij het nader ontvouwen van 's Lands zaaken hielden de Gevolmagtigden aan op het verkenen van onverwijlden bijftand tot het ontzet

Sluiten