Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maurits

104 GESCHIEDENIS

„ lijk Gelderland t Overijsfel, Utrecht en Friesland$ w de Opperhecrfchappij, ten behoeve van haare Ma-

jefteit, was aangeboden, maar niet van de Alge„ meene Staatent noch ook van de Hollandfche en ,j Zeeuwfche, 't welk tot vernedering van hem fcheen

te (trekken, die nier bezinnen kon , wat de Staa„ ten daar mede meenden , en of zij van elders be„ ter bijltand 5 dan van zijne Meeftresfe, verwagt„ ten ? " Men gaf hem hier op teverftaan: 3,Dat, „ indien de opgemelde Gewesten hem eenige aanbies, ding van de Opperheerfchappij gedaan hadden, „ men zulks meer voor het bedrijf eener muitzugti-

ge gemeente, dan voor een wettig werk houden „ moest. Die van Holland en Zeeland hadden „ meermaals hunne genegenheid, om zich aan de „ Koninginne te onderwerpen, betoont 3 en zouden „ daar in3 wanneer men verftondt , dat haare Maje,, fteit de hoogheid der Landen , op redelijke Voor-

waarden, wilde aanvaarden, de laatften niet wee„ zen (*)."

Zij wisten„ dat het aan deeze Voorwaarden bij Elizaeeth haperde , die niets anders zogt, dan de volllrekt onbepaalde Oppermogenheid : deeze, wist zij, kon niet behouden of geoefend worden, dan met vernietiging van alle de Voorregten der bijzondere Gewesten, welken zij aanzag als de waare bron van alle de onlusten, en een hinderpaal des Oppervorstlijken gezags. — Vervolgens vroeg hij deStaaten,

wat

(*) Hoofdt) II. D. bl. 1112-1114.

Sluiten