Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bei. NEDERLANDEN. kif

den te vallen. De Bondgenooten en de Koningfchen hadden met de daad den Rijksbodem gefchonden: de Soldaaten (tonden fchuldig aan gewelddaadigheden, gepleegd bij Menfchen, die geheel geen dcelin den twist hadden. Dan de Rijksvorlten oordeelden het raadzaam, eer zij tot middelen van geweld kwamen , Afgevaardigden te zenden aan de ootlogende Partijen, hunne bezwaaren intebrengen, en te verzoeken , dat zij de krijgsbedrijven bepaalden op hun eigen bodem. De Hertog van Parma antwoordde op een deren toon: „ Dat hij gereed was de Plaat„ zen, door hem in Duitschland bemagtigd , inte„ ruimen, onder beding, dat de Vijand hem hier in

voorging. Dat hij niet kon inftaan voor de ram„ pen, welken de Landen , zo nabij het tooneel des 1 Oorlogs , troffen. Dat zij, in ftede van dezel„ ven door hunne onverduldigheid te vermeerderen, „ ze moeiten verzagten , door zich naar de nood.„ zaaklijkheid te fchikken, bedenkende, datdeOor-

log was aangevangen, om de zaak van God en de „ regten der Oppervorften te verdeedigen. Alle 3, Prinfen hadden belang in deezen Krijg, en boven,, al die van 't Buitfche Rijk , waar de geest van

misnoegen en oproer het Volk beheerschte. Het „ oog op de Nederlanden gedagen houdende, wag„ ten zij den uitflag af van eenen opflaud , dien zij, ,, zo een gelukkige denzei ven bekroonde, welhaast „ zouden volgen. De Rijksvorsten moesten, over3, zulks, wenfchen, dat de wederfpannelingen tot j,, hunnen pligt wederkeerden. En dit zou niet misO 5 „ fen.

Mauriti.

Klagten der Rijksvorftenover Parma en de Bondgenooten.

Sluiten