Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. m

dere Gewesten, en zij, bij gevolge, Leden zijn van de Vergadering der Algemeene Staaten , dat is, der Zeven Feréénigde Landfehappen. Waarfchijnlijk hebbe men dit hier aan toetefchrijven, dat zij , als Lieden van den Degen, Baan onder de Generaliteit, of Algemeene Staaten , en dus niet welvoeglijk zitting kunnen hebben in eene Vergadering, welke hunne Heeren en Meefters verbeeldt, wier Dienaars zij, indatopzigt, zijn. De Stadhouders waren'er, voortijds , van uitgeflooten , en mogten 'er alleen verfchijnen, om, als Capiteins - Generaals van den Staat, voorflagen te doen. 't Is eerst naa de bedelling van hetStadhouderfchap, in't jaar MDCCXLVII, dat het den Heeren Erfltadhouderen vrijftaat, in de Vergadering van hunrte Hooginogenden te verfchijnen, wanneer het hun goeddunkt, fchoon 'er des geen tiitdruklijk befluit genomen is (*). Dit voorregt fchijnt mij toe een natuurlijk gevolg te weezen van de verééniging der Stadliouderfchappen in één Hoofd. Willeji de I. hadt het genooten : dewijl hij, als 't ware , de Oprigter en ziel des Bondgenootfchaps geweest was. Dé andere Stadhouders, deeze betrekking niet hebbende , dan tot de Landfehappen , in welken zij die waardigheid bekleedden, konden in die Vergadering niet worden toegelaaten.

't Was onder den jongen Maurits , dat het Stadhouderfchap bijkans dezelfde gedaante heeft aange-

. no-

(*) P. Paülus Ferkl. der Unie, III. D.bl.156". IF. Deel. T

Maurits.

Voorregten der Stadhoudereo.

Sluiten