Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. NEDERLANDEN. 593

Zeden der Inwoonderen. De Groot klaagt, met de ftrengheid van een Spartaan , dat, omtrent het afloopen der Zestiende Eeuwe , de Rijkdommen, door den Koophandel ten Lande ingevoerd , Tafelweelde en Kleederpragt medegebragt , Weelde , in ftede van de oude Nederlandfche Deftigheid, gebaard hadden, die, wel nut voor de openbaareinkomften, fchadelijk was aan de goede Zeden (*) : 'er bijvoegende, dat Volken, zo verwijfd, welhaast overwonnen en te ondergebragt zouden worden. Doch mogen wij niet zeggen, dat het vervolg zijner Jaarboeken toont, hoe hij te verre ging, en zich door welmeenenden ijver voor der Ouden braave Zeden liet verrukken ? Heeft hij kunnen nalaaten , het Tijdperk, 't welk op deeze vermeende Zedenverbastering volgde, aftebeelden als dat, waar in Moed, Vlijt, alle bijzondere en openbaare Deugden, met grooten luifter, in het Vaderland fchitterden ? Voorbeen wisten zij van geen geregelden Krijg , en het Staatsbeftuur was aan veelvuldige hachlijke verwisfélingen onderhevig. Thans werd dat zelfde Land eene School van Krijgs- en Staatkunde. Nimmer bragten deeze Gewesten zo veel Zee- en Landhelden voort, zo veel groote Mannen in alle takken van nutte KunftenenbefchaavendeWeetenfchappen. Want,fchoon de Legers ten velde, voor het meerder gedeelte, uit Vreemdelingen beftonden , verfchaften eenige Gewesten , Gelderland en Friesland bovenal , een goed » aan(*) Grotu Annal p. 113. 114,

S 3

Maurits.

Sluiten