Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 609

die, over 't algemeen, veel kreupelder gingen , ontmoeten wij , ten dien dage, dorperheid en dnifterheid in reden en rijm , eneeneonaangenaameééntoonigheid en platheid in de Verzen. Dan de geleerde P. van Maraux van St. Aldegonde toonde, in zijne berijming der Pfalmen , in den jaare MDXCI. gedrukt, dat hij de verbeterde rijmmanier van Spiegel en Koornhart vatte. Doch de meer volmaakte en manbaare volkomenheid in maat en taal begon met den aanvang der Zeventiende Eeuwe recht te naderen. Zijwierdhier tenLande ingebragt door den evengemelden Hooft, als hij van zijne reis na Frankrijk en Italië t'huis kwam. In 't laatstgemelde Land las en fprak hij de zoetvloeiende Dichters in hunne eigene fpraake , hij vondt bij deezen dat zagte , dat tedere, dat zangrijke in de Poëzye, 't welk hem in Ovidius behaagd hadt , maar 't geen hij alsnog in zijne Vaderlandfche taaie niet hadt weeten natevolgen. Hij ziet het den Italiaan af, en past het toe op zijn Nederduitsch. Toen ontdekte hij de Cadans, het hooge en laage door lettergreepen; voorts de maat, de rust, de fneede, den trant,den dans en demuzyk in zijne Vaderlandfche Verzen,en keerde met deeze kundigheden t'huis: deezen deelde hij zijnen Kunstbroederen van de Kamer , in Liefde bloeijende , mede. De oude Kunstvrienden , Visscher en Spiegel, waren, zo ze niet beiden toen reeds Amfterdam verlaaten , en Alkmaar ter woonplaats verkoozen hadden, te hoog bejaard, om zich met deeze verbeteringen en zinlijkheden van hunnen jongen Kunstbroeder optehouden. Bredero , niet T S te11

Maurits.

Sluiten